Geloof

Gestruikeld over de
woorden van liefde

Viel ik van mijn eigen
geloof

Gevallen in een ruimte
gevuld met euforie
en angst

Zweef ik lichtjes
langs je heen

Een vertwijfeling
een rilling
een aanraking

Mijn geloof
van koers gewijzigd
dwarrelen we samen verder

Kleur

Als jij komt
Toon ik je de mooiste
Zonsondergangen
We wachten tot de hemel
Donker kleurt

Als jij er bent
Vallen we in slaap
Onder de verlichte
Sterrenhemel
Samen

En als jij droomt
Wacht ik tot de zon
Opkomt
Ik wek je en
Samen bekijken we  de eerste
Kleuren van de dag

Briefopener

De laatste week is aangebroken, nog vier dagen mag ik ’s ochtends koffie zetten en de post openen. Post openen heeft iets. Iets magisch. Het geluid van het scheuren van de enveloppes, vlijmscherp geopend met de briefopener. Zo’n briefopener heeft me de afgelopen drie maanden elke ochtend weer doen denken aan van die misdaadseries of Derreck-achtige detectives (zoals mijn opa zou zeggen: [deetektieves]). Gebruikt als een wapen om overspelige echtgenoten (m/v) mee uit het veld te ruimen. In mijn zieke ochtendgeest speel ik die detective dan af.

”Nee, lieverd, ik ben echt niet met haar naar bed geweest. Ik heb haar niet eens aangekeken!”
“Smeerlap (als het voor de KRO is, anders klootzak of anderszins gebruikte schuttingtaal), dingetje van vier huizen verderop haar achternicht en die haar man heeft je gezien in de kroeg, mét haar!”

Goed, die ruzie gaat dan door, ontkenning op ontkenning en het draait er uiteindelijk op uit dat hij toch vreemdging, maar dan met haar zus, bijvoorbeeld. Zij flipt. Huilt, schreeuwt, tiert en gaat hem dan te lijf. Met de brievenopener. Want wie heeft er niet een in huis. En zulke echtelijke ruzies spelen zich of af in de keuken naast de besteklade of op een geïmproviseerd kantoortje waar keurig klaargelegd een briefopener wacht op zijn bestemming. Post natuurlijk en af en toe een uitstapje richting het hart van de overspelige.
Dat is mijn associatie met die briefopener. Een magisch ding. Het lemmet stevig in je handen scheurt het de enveloppe open. Maar eigenlijk is dit maar een slap voorwerp, ik ben niet van plan het te proberen (wees gerust), maar volgens mij is het geen ultiem middel om iemand aan de kant te ruimen.
Misschien zijn er meer varianten van, maar de enige andere variant die ik hiervan ken, is ooit door mij zelf gemaakt. Op de middelbare school, bij handenarbeid. Een briefopener van hout, in de vorm van een giraffe. Je zou het, zo schattig, niet eens in je hoofd halen het te gebruiken voor andere doeleinden dan brieven openen.
Dit (denk)ritueel elke ochtend, ik zal het denk ik toch wel missen.

Besmettelijke hypes en taboes

Wat is er momenteel gaande in Nederland? Waar ik vanaf ongeveer april nog net niet letterlijk doodgegooid werd met berichten over een enge Mexicaanse griep, nieuwe influenza A (H1N1), verdween het steeds meer uit het nieuws. Een (Mexicaanse) golf van opluchting, want het zou allemaal wel meevallen en de mondkapjes konden weer in de kast voor de volgende inheemse griepsoort. Het bleef nieuws, maar wel klein. Als een advertentie van de plaatselijke groenteboer in de krant kwam af en toe de griep voorbij in journaals en dagbladen.
Het woord pandemie werd niet meer gebruikt en zelfs de epidemie was maar ‘licht’. Maar dan komt bij mij het licht binnen. Eind augustus, begin september raakte de Griep wat uit. De hype sloeg niet zo aan, we waren niet zo bang als ze, RIVM en Klink met aanhang, verwacht hadden. De nuchterheid van ons calvinistische landje liet de griep overwaaien en als we kuchten en snotterden in openbare ruimtes renden we niet voor elkaar weg. Nee, we bleven elkander de hand schudden. Zonder handschoentjes welteverstaan. We bleven elkaar recht in het gezicht aankijken, zonder een belemmerend mondkapje.
Wat gebeurde er dan in september? Genoeg. Belangrijk is natuurlijk Prinsjesdag, die sowieso de tweede helft van september altijd opvult. Is het niet de hoedenparade, de veiligheid, dan wel de miljoenennota en het opzeggen van het vertrouwen in het kabinet.
In oktober, ik denk dat we die volgend jaar herdenken als de ‘Oktober: de maand van Dirk S.’. Ik bedoel maar, Dirk, en ook het rode licht van Marco Borsato overschaduwden alle griepkenmerken, ze waren gestorven aan iets waar geen mexicaanse griep tegenop kan: domheid, onnadenkendheid en het imago van de brave burger. Helaas. Na verschillende reanimaties, krokodillentranen, plannen a t/m z en veilingen ging oktober bijna grieploos aan ons voorbij. Ach ja, we bleven allemaal wel een paar dagen thuis, we rilden wel eens wat, de een had wat meer koorts dan de ander, maar we knapten weer op. En de griep lag trouwens ook ergens vastgemeerd omdat ons zeilsterretje Laura nog niet weg mag!
Totdat vorige week ineens het grote nieuws uitbrak dat een puber overleed aan dé Griep! En ze was nog gezond ook. Heel Nederland in rep en roer. Eerst Dirk en nu de griep. Protesteren helpt niet, dat weten we nog van de verhoging van de AOW-leeftijd en ook het inschakelen van Agnes Jongerius mocht niet baten. Massaal aan de griepprik lijkt de enige oplossing te zijn. Gelukkig hebben we dankzij Ab Klink massa’s ingeslagen. ‘Beter te veel prikken dan te veel doden’, moet hij gedacht hebben. Maar dit soort puberaal gedrag van de Griep had hij niet verwacht.
Wat ik niet verwacht had is dat een griep in vlagen komt. Nee, een griep komt wel in mediavlagen. Een griep komt wanneer een ander onderwerp tijdelijk taboe moet worden gemaakt. Wat denken we van de ministerpost voor Europa (de vraag van de week: wordt-ie het of wordt-ie het niet?!)? Het zelfs mogelijke mislukken van dit alles doordat die verrekte Tsjechen die misschien dat hele Lissabonverdrag niet willen ondertekenen? Het Center Parcshuisje van onze prins W.A. en aanhang in Mozambique? (Heeft Willem Alexander gelogen, verzwegen of gewoon de waarheid iets verdraaid?). En het herhaaldelijk mislukken van de OV-chipkaart moet ook maar door de griep ingehaald worden.
De Griep zal best gevaarlijk zijn, maar ik denk dat we zieker worden van de mediageile aandacht die ze krijgt, misschien zelfs wel zieker van de vaccins die ons al wandelend worden ingespoten (pas op voor verdacht opgestelde bosjes die zich plotseling verplaatsen), maar de gevreesde griep blijft echt nog steeds uit.
Dus: nies eens goed, schud elkaar de hand, zoen eens, geef op 11 november geen vaccins maar gewoon mandarijntjes aan zingende kindjes, met Sinterklaas naast de chocomelk ook wat vitaminen en verder veel suikergoed. Want een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest.

De held vs. de schurk

Dirk is de held, maar de buschauffeur van het Nederlandse schoolreisje in Spanje is de schurk. Deze nieuwskillers zijn uiteraard niet met elkaar te vergelijken, maar toen ik vanochtend het nieuws bekeek, in alle haast, zag ik vanuit mijn ooghoek dat op Scheringa zijn kunstcollectie beslag werd gelegd. Wat zeggen die malloten uit dat dorp, met hun pyjamabroekje en –hesje nog aan? ‘We vinden het wel zielig voor Dirk.’ Zielig?! Nee, Dirk kon er ook niks aan doen. Natuurlijk niet. Mijn wiskunde is niet zo bijster goed, maar een klein verhaalsommetje kan ik maken. Dirk had een bank, had een stadion en een museum met kunstcollectie. Toen alles nog overeind stond en/ of geen beslag op was gelegd, had Dirk op een gegeven moment de bruut Pieter Lakeman tegenover zich staan. Pieter *slaat met zijn vuist op tafel* doet een oproep aan duízenden gedupeerden om het geld van de rekening te halen. Hún rekening. Dirk zijn zaakjes zouden niet goed lopen. Klanten halen geld van rekening, bank wankelt en valt om. Failliet. Dan kun je daaruit opmaken dat én de klanten én de 1300 werknemers én de werknemers van het museum én de mensen van het AZ-stadion én de aannemers met de daarbij behorende bouwvakker van het nieuw te bouwen museum azen op tegoeddoening. Als oer-Hollandse oetlul met twee jaar MULO had je dan kunnen weten dat als eenmaal een kaart uit je kaartenhuis omvalt dat alles dan instort.
En uiteraard is niet alleen Dirkie, de volkse jongen, hieraan schuldig, maar ik mag concluderen dat hij hoofdschuldige is. En die conclusie trek ik voor het snelle gemak dan ook maar. Daarom snap ik ook niet dat anderen, zoals buurtbewoners of medewerkers (wat op hetzelfde neerkomt, het is het Volendam in Wognum) hem adoreren, op handen dragen, hem tot God vereren. Hoeveel slachtoffer heeft hij gemaakt? En maakt hij nog? 1300 werknemers op straat plus een handjevol vergeten slachtoffers die nog ergens onder het puin liggen en zachtjes roepen dat Dirk echt hun held is. Een held?
Nee geen schurk. Dat is de chauffeur van het dramatisch verlopen schoolreisje met één dode. Hij is aangeklaagd voor dood door schuld. Ik weet niet wat bruter is.

Kantoorslaaf

Om maar met de deur in huis (correctie het kantoor) te vallen, ik zal het bekennen. Ik ben afgetakeld, gedegradeerd tot een kantoorslaaf. Van 9 uur in de ochtend tot 5 uur in de middag verlaag ik mij tot de hoogte van een bureau met daarop een computerscherm, zittend op een verrotte bureaustoel waar mijn nek en rug dusdanig tegen protesteren. Ik noem het de septemberprotesten.
De hele dag kijk ik doelloos om me heen, van beeldscherm naar redactie, van redactie naar kranten en van kranten naar voor te bereiden interviews. Ik schrijf her en der een artikeltje, een nieuwsberichtje of ik vermaak mezelf door mijn eigen leven nog in beheersing te houden door te internetten. Mijn vraag is, hoe heeft het zover kunnen komen??
De vraag die aan me knaagt, die ik niet durf te beantwoorden, omdat ik dan mijn eigen zwakheden onder ogen kom. Het kantoorslaafsyndroom. Ik ben er ingeluisd: stagelopen, goed voor je, doen! (Maar ze bedoelen: in het gareel jij, achter de pc, werken zul je binnen de normen van de maatschappij.)
Ik heb niet nagedacht over de gevolgen van mijn beslissingen, het worden van een kantoormiep. Ik ben kassamiep geweest, schoonmaakmiep, maar kantoormiep? Nog nooit. En ik weet nu waarom. Het zit niet in mijn vezels, het zal er ook nooit uitkomen.
De 9-5cultuur die er heerst in onze maatschappij, heerlijk voor mensen die het kunnen, respect zelfs, maar moet het bestaan? Waarvoor is het goed? Je mist zo'n stuk van de dag, je mist het buitenzijn, het levendige overdag. Ik ben gedoemd tot het maken van een leuke avond om de dag te compenseren. Maar als ik 's avonds thuiskom ben ik kantoormoe, kantoordepressief, heb ik kantoorhoofdpijn. Ik kan tot dusverre alleen nog maar afgeven op het leven van mij als kantoorslaaf. Iedereen die te dicht bij mijn aura komt, gifgroen of pikzwart van kleur, krijgt een tirade van boze snauwen, vermoeide zuchten of gewoon gezeur over zich heen. Hoe goed ik dat ook probeer te verpakken jegens mensen die mij nog niet zo goed kennen met een lieve glimlach en dan snel weer weg gaan.
Nu ik eindelijk deze woorden heb geuit, wat een opluchting, kan ik doorgaan met wat ik wel wil. Dat dit niets voor mij is moge duidelijk zijn. Maar wat ik hier, van de stage, wel leer is dat ik in de wieg gelegd ben om te schrijven. Eíndelijk komt het er echt uit, ik wil het. En vooral de onderwerpen die ik hier aanpak. Simpele oplossingen, aangezien ik daarvan houd, freelancen dus. Ik had het diep van binnen kunnen weten, moeten weten. "Maar met freelancen kun je je brood toch niet verdienen?" Oh heus wel, vast wel. Maar tot die tijd zit ik nog hier (nog 57 werkdagen te gaan), daarna mag ik weer studeren en waarschijnlijk plak ik er nog een jaartje aan vast. En als ik dan ga freelancen kan ik hetzelfde doen als ik hier doe, alleen als ik dan om drie uur 's middags geen reet te doen heb, geen zin meer, kantoorhoofdpijn heb, kantoordepressief dreig te worden, kan ik het terras op. Met een goed glas wijn of de perfecte cappucino!

Nu zit ik nog als kantoorslaaf aan de biologische koffie op de verrotte stoel in de nog verrottere niet-volgens-de arbeidsinspectieregels-houding. Ik ga maar verder dromen over de toekomst: eindelijk mijn bed&breakfast openen, met een geit en een ezel, een eigen moestuin, de nog te bouwen wijngaard van een goede vriend erbij en zij die wel lammetjes wil slachten, maar dan wel met mij tien uren per dag in de buitenlucht wil werken. Tot 's avonds laat wijntjes drinken, vroeg opstaan, maar tussen de middag siësta's houden. Yoga-oefeningen doen, een worden met de natuur... Dat allemaal in plaats van te vergroeien aan een bureaustoel!

Nog 57 dagen...

Liefhebben

In alle hevigheid
losgebarsten
groeven
afgebrokkeld cement
van hoge muren

Een lichaam
kaal en kil
verdwaald
in het niets
en alles

Het kabbelend
geluid van
een liefde
doch zo stil
en geruisloos

De puurheid
die ik ervaar
wanneer je
naar me kijkt
zo zuiver

Oh mijn lief
neem me lief
zoals ik je liefheb
en de liefde
liefheeft, wil je?

Dat is geluk:)

Geniet van de warmte van de zon,
het getik van regen op tentzeil,
kampvuurtjes in de late uurtjes,
een gierende wind om het huis
zittend met een dekentje
en kopjes thee op de bank...

De kat die miauwt,
haar hoofd op mijn schoot legt
en mijn zoete tranen opvangt


(Hersenspinseltje uit de oude doos)

Ontmanteld

Als de wind
Mij om de oren waait
Suizend van genot
En de westenwind
Zich nogmaals draait

Als mijn gedachten
Grillig zijn
Gevangen in de
Wazige wereld
Van ingekapselde pijn

Als ik stilaan loop
Zachte schreden
Over de drempels
Van het leven zet
Is de pijn ontmanteld
En geleden

 

Zonder titel

Voor de zon haar licht
Aansteekt, glimlachen we
Naar elkaar

De warmte van mijn
Adem
Glijdt door de atmosfeer
Even zacht als jouw
Rusteloze vingers
Als je mij
Aanraakt wanneer onze
Dag begint

Nergens is de
Afwezigheid zo
Aanwezig als in de
Roerige tijden van ons samen

Angst
Verdriet
Onrust, maar
Naar mijn idee onze
Dagen van geluk
Raadselachtig is ons leven
Overdwars en
Omgekeerd
Dwalen wij verder in de donkere nacht

Zolang alles gaat...

Zolang de vogels fluiten
In de stilte van de ochtend
En zolang de wind blijft razen
Om en in het huis
In het holst van de nacht

Als de appels maar gewoon
Niet te dicht van de boom vallen
Op het groenbruine gras
En als de dauw zich daar
Omheen nestelt

Wanneer de dag niet langer
Dan twee keer twaalf uren duurt
De zon gloeiend rood opkomt
En ’s avonds weer moe,
Maar voldaan gaat slapen

Zolang de zomer maar blijft bloeien
De herfst de gouden bladeren laat vallen
De winter koud en bar is
Zal de lente weer verwarmen
En de cirkel rond blijven

Zolang alles blijft zoals het altijd is gegaan
Zal niemand zijn ogen openen
En verandering toestaan
Zolang alles gaat zoals het gaat
Is het goed

(H)eerlijk

Het voelde
ineens weer
als de heerlijkheid
die niemand
zal
en kan
begrijpen

De oneerlijkheid

De gedeelde pijn
nooit gedeeld
Mijn wonden gelikt
echter nooit geheeld

Toch
opnieuw
de onverwachte
heerlijkheid
waarvan ik
niemand
vragen zal
haar
te begrijpen

Dat is mijn eerlijkheid

Gedeeld
Noch geheeld

Stille liefde

Een meisje en een jongen, samen wachtend op de trein, op haar vertrek. Ze waren mijn inspiratie voor het volgende dichtsel


Een afscheid
Zoals alleen
In de eerste verliefdheid
Ongemerkt gelaten
Wat afscheid betekent


Een vluchtige zoen
De lucht vervuld geraakt
Van hun kalverliefde
De kus
Een van hun eersten

Ze nam plaats
Aan de andere kant
Het glas hun barrière
Zijn fiets aan de hand
Wachtte hij op haar vertrek

Ze zwaaiden
Een handkusje
Een fluistering
‘tot snel’
Ze reed weg
Zonder hem

De liefde verdween
Tussen de rails
En werd stil

Stille liefde
Zoals je nooit meer zult kennen

Jong volk

Soms vind ik bepaalde zaken in het leven ineens heel interessant. Interessanter dan ik deze zaken normaal gesproken vind, dan vind ik ze meestal ronduit vervelend of saai en kunnen ze beter uit mijn buurt blijven. Een van deze zaken betreft ‘kinderen’. Dan niet het fenomeen ‘kinderen krijgen’, nee kinderen in de breedste zin van het woord.

Een vriendin van mij krijgt over pakweg 4,5 maand een kind, en veel meer mensen zie ik dikker worden of hoor ik praten over uitscheuringen, inknippingen en ander zwangerschapsleed. Maar ik heb geen verstand van kinderen, baby’s, peuters, kleuters of welke leeftijdscategorie van een koter dan ook. Zo’n klein mormeltje is voor mij als een irritante hond die door mijn hele huis keft. Niet echt interessant. Nu was er vandaag een halve baby, beginnende peuter in een straal van twee meter, zelfs een aantal aanraakmomenten. Best een hele overwinning voor mij. Kinderen zijn niet zo verschrikkelijk dat ik ze iets aan wil doen, maar het is niet mijn hobby, laten we het daar voorlopig op houden.

Ik wil eigenlijk dat een kind zich 'volwassen' gedraagt, kan lezen, schrijven, discussiëren en vooral normaal praten (en niet dat 'lis' zoiets als 'achillespees' moet betekenen).

Maar het verschrikkelijke is dat álles om dat kind draait: koekjes, drinken, vieze handjes, vieze billetjes, vieze smoeltjes. En daar kan ik niet tegen. Ook het bekende ‘koeziekoeziekoezie-wat-ben-je-toch-schattig’ doet mij rillingen geven.

Maar desalniettemin is dit fenomeen van de kleine wezentjes op aarde ook interessant. Want, en daar komt mijn theorie, alles wat een kind eigenlijk niet mag doen, doet het wel en dat is schattig. Als ik planten stuktrek, vindt niemand dat schattig. Als ik met een koekje kruimel, kijkt iedereen me boos aan (of ze komen met een kruimeldief aanzetten). Als ik over de grond kruip, word ik nogal raar aangekeken. Als ik kwijl, denkt men dat ik een of andere achterstand heb. Al die dingen die een 2-minner nog mag doen zijn ook nog grappig, leuk, interessant en ‘goed voor de ontwikkeling’.

Vind me raar, vind me vreemd, vind me kindonvriendelijk. Ik heb echt het beste met een kind voor en daarom denk ik dat het ook het beste is om een kind meteen duidelijk te maken wat wel en niet geoorloofd is. Als het nu mag kotsen, kwijlen, luierpoepen en ineens over pakweg 2 jaar niet meer, dan maak je het kleine famke of jonkje onzeker in de al zo onzekere peuterpuberteit. (En ik weet zeker dat menig nanny het me eens zal zijn.)




Of niet?

 

Fladderen met woorden

Ik zit vol met woorden, zo vol dat ze overstromen als een rivier die uit haar oevers treedt. Woorden die geen juiste weg leiden, maar kolken door de straten. Ik schrijf losse woorden, halve zinnen, lege gedichten. Woorden die nog geen vaste vorm hebben. Het zijn de klanken van mijn mateloos snelwerkende gedachten. Als ik ze zou uitschreeuwen zou het eerder een echo in een put zijn of het nagalmen in een smalle steeg. Geen punten, geen komma’s, geen ademhalingen. Slechts mijn gedachten, zo zuiver als ze zijn als een ruwe diamant. Ik wil ze niet bijschaven, ik wil ze behouden in alle puurheid. Ik wil deze schoonheid van de onaangepastheid bewaren. En dat alleen omdat ik me gelukkig voel. Manisch gelukkig. Een geluk waarvan ik voel dat ik na een lange tijd knokken, wroeten in modder en springen over de dalen eindelijk op een top zit waarvan ik wil dat ik er altijd op blijf zitten.


Een prachtige tijd achter me, een tijd die niemand me af kan pakken. Een tijd voor me waarvan ik niet weet waar die toe leidt, maar waarvan het begin al zo mooi is dat ik er in geloof.

Ik zit dus zo vol met woorden dat ze geen logische volgorde hebben, maar het geeft niet. Nog niet.  Mijn losse fladders worden één, ooit.


De eerste stap
In de verse zachte sneeuw
Pas aangekomen
In de witte doch warme winter

Gevecht met de plakkerige sneeuw
Gelach
Gesnuffel
Gevecht met het zijn

De beginnende luchtige lentezon
Verwarmt de stille sneeuw
Laat het langzaam smelten
En tovert kleurrijke bloemenbloesem

De eerste lentestralen
Vallen door de grauwe groeven
Van de littekens
Van het lusteloze leven

Laatste sneeuwvlokken vallen neer
Smeltend in de lucht
Plaatsmakend
Voor de zomerzon

De laatste stap
Over de veelbewandelde wegen
De zachte zon laat mijn mondhoeken krullen
Geluk is even eeuwig

Mijn (r)evolutie van zandtaartjes

Projektbeschreibung

Koffie om wakker te worden en te blijven. De vraag wat ik vandaag zal doen, knaagt pijnlijk aan mij. Moeheid en energie zoeken een weg in mijn lichaam, in mijn leven. Luisterend naar ‘Born in the eighties’ en mijn eerste bakje troost voor de dag, bedenk ik me dat ook ik een eightieskind ben. Weinig is er overgebleven van mijn vier jaren eighties, weinig herinneringen. Misschien mijn eerste schooldag op de nieuwe kleuterschool. Spelend in het zand met van die primair gekleurde zeefjes en schepjes. Vol nog van geloof dat zandtaartjes echt gegeten konden worden en dat zwarte wascokrijtjes best wel eens drop zouden kunnen zijn. Dat waren mijn eighties. De onschuldigheid van het kind zijn, de onbezorgdheid. Zelfs om het slechtste hoefde je je nog geen druk te maken. Zandtaartjes wat een genot.

Born in the eighties, opgegroeid in de nineties, een weg naar volwassenheid pas na de eerste millenniumjaren. Zandtaartjes worden appeltaartjes. De overdenking van mijn leven, kinderjaren, het volwassen móeten worden of toch maar kind blijven. Mocht volwassenheid vooruitgang betekenen dan kies ik ervoor, maar mijn angst voor ‘morgen’ is groter dan voor vandaag. Vandaag is overzichtelijk, morgen te ver weg…

De eenvoud van een kind hoe het de wereld inkijkt. Te klein om het te begrijpen, te vluchtig om er aandacht aan te besteden. Toen ik mijn zandtaartjes bakte en vol vertrouwen uitsprak dat dezen nog lekkerder smaken dan de vorige, deed iedereen alsof ze me geloofden. De tijd van geloven en vertrouwen is voorbij, al lang voor mijn Born in the eighties vervlogen. Maar het bestond nog in mijn kinderogen. Als ik zei, dat ik prinses werd (ik was immers al mijn vaders prinses) dan werd ik de prinses. Niemand die mij tegenhield daarin te geloven. Als ik later, iets meer verstand en  al minder zandtaartjes bakkend, vertelde dat ik de wereld zou redden, werd slechts stil gezwegen en een korte blik geworpen. Want ik zou de arme, uitgemergelde, bedelende zwarte kindjes omringd met muggen gaan helpen (van die Giro555-kindjes). Of ik op de fiets of lopend erheen zou moeten, deed er nog niet toe. En als ik daar dan de wereld mooier gemaakt had, ging ik moede(r)loze kindjes elders helpen. Het liefst samen met de prins(es) op het witte paard.

Maar er is geen prinses, ook geen wit paard en ik kan ook geen zandtaartjes meer bakken, ik speel met echt vuur. Vuur of geen vuur, ik wil spelen met mijn leven, spelen als een kind dat kan doen. Ik wil geloven in mijn eigen onschuld, mijn eigen ongeloof, in dat van anderen. Ik wil geloven in de goedheid. Ik wil geloven dat zandtaartjes echt lekker zijn.

De kracht van een kind ligt misschien wel in die grootheidswaanzin. Misschien dat ‘wij grote mensen’ ook wat meer daarvan moeten hebben. Erin geloven dat je alles kunt en kunt worden wat je wilt. En als je dan beseft dat je niet kunt vliegen als een vogel, geen bestellers voorlopig schrijft of theorieën als die van Darwin kunt bedenken, dat je zelfs dan de kracht van de kiem behoudt.

Die prinses op het witte paard blijft mijn sprookje… en ik wil in het sprookje geloven, ik wil het uitlezen, ook al is het alleen maar voor vandaag. Ik zal op het witte paard de wereld redden, terwijl we samen zandtaartjes bakken en samen opeten.

Mijn grootheidswaanzin: mijn evolutie is onze revolutie;)

 

Paspop


Je kijkt me aan
Of niet specifiek mij
Ik zie je daar staan
Je handen losjes in je zij

Nooit een bad-hairday
Nooit een pukkel
Nooit uren voor de spiegel
Nooit je heupen slanker denken

Altijd de nieuwste kleren
En alles past altijd perfect
Altijd perfect gekapt
Zelfs als je morgen wordt gewekt

En ook al is dit tussen waarheid en schijn
Laat mij vandaag heel even jou zijn

Pijnlijke pracht

De kilte van de zachte lentebries
omvat mijn lichaam
timide en teder


De geur van de paarse seringen
dringt mijn neus binnen
snel en sereen

De stappen van mijn vermoeide voeten
slepen mij voort naar elders
langzaam en log

De warmte van de groeiende lentezon
laat mij mijn ware ik voelen
en toch

pijnlijke pracht

Titelloos

Ach, jij staat zo ver
Bij me vandaan
Mijn kleine
Ster

Nog zo kort geleden
Spraken we over zaken
Nu rustend in het
Verleden

Slechts woorden
Die nagalmen
Zoals we ze vroeger
Hoorden

Ach jij, mijn helder licht
Geef me nog eenmaal
Die glimlach op mijn
Gezicht

Galmend

Mijn woorden liggen verspreid over de grond, alsof je ze nooit gehoord hebt en kwaad hebt neergeslagen. Eigenlijk ben ik degene die ze heeft uitgekotst. Je kon ze nooit horen. Je sprak te vaak, te veel. Jouw woorden weergalmen alle andere geluiden, het is alleen jij en jezelf. Zoveel wilde plannen, zoveel mooie woorden, elke gek raakt er bedwelmd door.

Ik heb het opgegeven nog verder te spreken. Bespaar me de moeite, geef me de kracht opnieuw  te bouwen. Je had het beloofd te veranderen. Maar alles is gezegd, alle letters waren stuk voor stuk voor niks. Letters maken geen volledige zinnen, alleen mooie klanken.

Je galmde al als je naar me toe kwam lopen, je hakjes klikkend, je haren wapperend in de melodie van de wind, je ogen twinkelend in de stralen van de zon. Alles had het ritme dat het toebehoorde. Nu galmt het alleen nog na, waar ik ook sta en loop. Overal klinken je voetstappen na. Oh god, je kon je wel belangrijk hebben gevoeld.

Nu liggen daar kapotte zinsdelen, punten, stukken woord.

Niks is meer wat het ooit had kunnen zijn. Op de marmeren vloer komt het nog harder aan, je hoort het breken. Alles wat ooit heel was valt uiteen. Niet te langzaam of te snel, een perfecte timing, zodat het geen verrassing kan zijn.

Je kijkt me vaag aan, bent eindelijk stil, en kijkt dan naar mijn woorden. Je snapt ze niet, zoals ik verwachtte. Het steekt niet, doet me noch pijn. Alles is gezegd, je zwijgt verdomme eindelijk! Hoeveel geweld moet daarvoor gebruikt worden?

Mijn hart bonst als galoperende paarden, ik snak naar adem.

Woede overheerst mijn ziel eer ik kalmeren kan.

Zwijgzaam staan we tegenover elkaar, begrijpen is verleden tijd. Die dag is te lang geleden, één blik, misschien twee, een klik, een warm gevoel. De klik duurde gewoon te lang. Als kleefkruid aan elkaar geplakt.

De deur wordt een te harde klap gesloten, glas breekt. Het doet me net zo weinig als jouw vertrek.

De koude wijn pak ik uit de koelkast. Een, twee, drie wijn, allemaal voor mezelf. Eindelijk niet meer delen. Mijn woorden zijn uiteen gebarsten, weerloos op de grond neergestreken, zinloos uitgekotst.

Ach, was het maar waarheid.